Voor de mensen die het wellicht interessant vinden:
Dit is het stuk uit het eindhovens dagblad wat Piet Snijders heeft geschreven!
Piepjes en bliepjes uit het Natlab
Studio-assistent Dick Raaijmakers werd pionier in elektronische muziek.
Door Piet Snijders – Eindhovens Dagblad – 2004-07-24
In Den Haag is het Instituut voor Sonologie in zijn archieven gedoken en heeft daar belangwekkende muziek gevonden – goed voor vier cd’s in luxe box – uit de vaderlandse pre-historie van de elektronische muziek. Die speelde zich voornamelijk af in Eindhoven, waar het NatLab van Philips ten dienste stond van componisten als Henk Badings, Ton de Leeuw en Tom Dissevelt. En waar technisch assistent Dick Raaijmakers zo zijn eigen dromen had…
Een zaterdag in 1960. Bij het Philips NatLab heerst een serene rust, want op zaterdag wordt er niet gewerkt. Een uitgelezen moment voor Dick Raaijmakers, technisch assistent in de studio voor elektronische muziek, om op zijn afdeling stiekem te gaan experimenteren. Raaijmakers wil nog nooit gehoorde geluiden opnemen. Misschien kan er – na wat manipulaties met bandrecorders – wel mooie muziek mee gemaakt worden. Op zijn werkplek installeert de gedreven onderzoeker opnameapparatuur, graait hamers, tangen en schroevendraaiers bijeen en gaat als een razende tekeer op de snaren van de piano.
Zijn inspanningen leveren de bijna vijf minuten durende compositie ‘Pianoforte’ op en die zaterdag wordt in het NatLab de ‘action music’ geboren. “Als mijn baas mij bezig had gezien, had hij me voor gek verklaard”, zou Raaijmakers later zeggen.
Dick Raaijmakers was een afgestudeerde conservatoriumpianist uit Eindhoven en werkte sinds 1953 bij Philips. Bij zijn komst had hij al iets willen doen in het schemergebied tussen muziek en techniek, maar het werk dat hij ambieerde bestond nog niet. En dus zat Raaijmakers in zijn eerst Philips-jaren aan de lopende band radio’s te assembleren. Zijn ambities waren wel bekend bij een oom, die hem op een gelukkig moment – begin 1956 – introduceerde bij radiopionier ir. Roelof Vermeulen, die de leiding had over het akoestisch laboratorium in het NatLab. Vermeulen bleek Dick Raaijmakers te kunnen plaatsen als technisch assistent in een splinternieuwe studio voor elektronische muziek.
Badings en Varèse
Deze studio werd in 1956 speciaal ingericht voor componist Henk Badings (1907-1987) die in 1954 ‘Orestes’ had vervaardigd, de eerste elektronische compositie in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Beperkt revolutionair, want in het buitenland hadden onder anderen Stockhausen en Varèse al heel wat avant-gardistische piepjes en bliepjes op hun naam staan.
Badings mocht voor het Holland Festival 1956 een elektronische score componeren bij de dansproductie “Kaïn en Abel”. De eigen studio die hij daarvoor nodig had vond hij in het Philips NatLab. Ir. Roelof Vermeulen leverde niet alleen de oscillators, modulators en vooral bandrecorders, maar ook de ondersteunende bemanning. In die dagen kon er nog iets bij Philips!
Bading; Kaïn en Abel-muziek werd een doorslaand succes, mede omdat ze wereldwijd door 900 radiostations werd uitgezonden. Logisch dat de componist vervolgens omkwam in de opdrachten. Voor het NatLab zat er niets anders op dan de studio voor elektronische muziek nog maar even open te houden.
In de daarop volgende jaren zouden er opmerkelijke en baanbrekende muziekstukken ontstaan, niet alleen van Henk Badings, maar ook van Ton de Leeuw, Tom Dissevelt, Rudolf Escher en…. Tweede assistent Dick Raaijmakers.
De grootste toonkunstenaar die in de studio werkte was de visionaire componist Edgard Varèse (1883 – 1965). Deze vervaardigde er speciaal voor het Philips-paviljoen op de Wereldexpo 1958 in Brussel zijn acht minuten durend meesterwerk ‘Poème Electronique’ ( johnnybusca:
http://emfinstitute.emf.org/exhibits/varesepoeme.html ) In het door Le Corbusier en Xenaxis gebouwde paviljoen ( johnnybusca: wat waarschijnlijk weer in eindhoven in Strijp-S gebouwd gaat worden ) werd deze compositie gereproduceerd door meer dan 400 luidsprekers. Met spectaculair beeld en geluid erbij – de andere pijlers van Philips – bouwde Varèse de eerste multimedia-show ter wereld. Meer dan een miljoen(!) mensen kwamen er zich tijdens de expositiemaanden aan vergapen.
Prachtig voor het prestige van Philips, maar van generositeit voor de Grote Kunsten kon het elektronicaconcern niet eten. Er moest aan al dat geexperimenteer met geluid ook verdiend kunnen worden. Vermeulen vond daarom dat er ook populaire elektronische muziek gemaakt moest worden. Niet alleen zware stukken met geruis en begruis maar ook lekker in het gehoor liggende deuntjes.
Baltan en Dissevelt
Hij had zijn populaire muziek gemakkelijk bij een componist van naam en faam kunnen bestellen, maar om onduidelijke redenen banaderde hij – in 1957 – Dick Raaijmakers, de toen nog anonieme studio-assistent.
In vruchtbaarder aarde had het idee niet kunnen vallen. Raaijmakers’ eerste poging resulteerde in de ‘Song of the Second Moon’, een spannend en toch toegankelijk werkje van bijna drie minuten. De titel was goed gekozen, want de wereld was in de ban van de Russisch Spoetnik, de eerst kunstmaan. Voor de B-kant – Philips dacht in singletjes – arrangeerde hij Kenneth Akford’s ‘Colonel Bogey’, ofwel de in die dagen razend populaire River Kwai-mars.Juist met dat nummer bewees Raijmakers, dat met elektronika ook ‘gewone’ muziek te maken was.
De studio-assistent mocht zijn tapes onder het pseudoniem Kid Baltan (draai ’t om en je krijgt NatLab-Dik) naar Phonogram sturen en deze Philipsdochter perste er 200 singeltjes van. Ze zouden de winkelschappen nooit bereiken omdat de rechthebbende weduwe Akford een elektronische versie van Colonel Bogey niet zag zitten. Zo kreeg Raaijmakers althans te horen. Desondanks besloot Philips het experimentele singletje te houden en weg te geven als relatiegeschenk. Zo gingen Raaijmakers’ eerste composities toch nog de wereld over, zij het via een uiterst select publiek.
Dick Raaijmakers had n bewezen dat hij goed was in het produceren van elektronisch geluid, maar een componistenstatus had hij nog niet.
In de verder speurtocht naar populaire elektronische muziek strikte Roelof Vermeilen jazz-musicus Tom Dissevelt (1921 – 1989 ), bassist van The Skymasters en bekend arrangeur. Ook hij kreeg Dick Raaijmakers toegewezen als technisch hulpje. Deze was daar niet echt gelukkig mee: “Het voelde alsof ik bij Vermeulen was gezakt voor een examen,’ zei hij.
Toch stelde Raaijmakers zich cooperatief op, want Dissevelt was een aimabele vent, metwie goed viel samen te werken. Tussen 1958 en 1963 leverde Dissevelt belangwekkende elektronische werken af. Maar het grote publiek wist de jazzmusicus er niet mee te berieken.
Dick Raaijmakers
Dick Raaijmakers nestelde zich intussen met eigen werkstukken en onder eigen naam in de avant garde van de elektronische muziek. In 1959 won hij in Eindhoven een cultuurprijs voor ‘Tweeklank’ en in 1960 vervaardigde hij ‘Achter de schermen’ en ‘Fuel for the future’, elektronische muziekstukken voor Philips-promotiefilms.
Een en ander betekende niet dat elektronische muziek ineens gemeengoed was. Philips kon daar ook niet meer op wachten. In 1960 bracht het concern de studio voor elektronische muziek onder in een joint venture met de Utrechtse universiteit. Dick Raaijmakers verhuisde mee naar de domstad.
Niet voor lang echter, want in 1963 was hij zijn assistentenstatus beu en bouwde hij samen met Jan Boerman een eigen studio in Den Haag. Daar liet hij in 1965 mogelijke wereldroem aan zich voorbij gaan, toen hij een aanbod afsloeg van Stanley Kubrick om een electronische filmscore te maken voor de film ‘2001: A Space Odyssey’. ‘Mijn muziek is daar niet zo geschikt voor’, had hij gezegd, ‘die past beter bij muziektheater…’
Raaijmakers’ Haagse studio werd in 1966 ingelijfd door het Koninklijke Conservatorium en weer tweintig jaar later weer samengeboegd met de ook naar Den Haag verhuisde Utrechtse studio. Beide studio’s werden ondergebracht in het Instituut voor Sonologie, waaraan Dick Raaijmakers – conservatoriumdocent intussen – tot aan zijn pensionering in de jaren ’90 verbonden bleef.
In de loop der jaren maakte hij inderdaad furore met muziektheaterscores, maar ook met tal van andere compositeis. Raaijmakers behaalde daarvoor diverse prijzen. Zijn este werk maakte hij naar eigen zeggen eind jaren zestig: ‘Chairman Mao is Our Guide’. Hij speelde dat maar een enekel keer en wel tijdens een grote Vietnamdemonstratie in Amsterdam. Action-music in een dubbele betekenins dus. Daarna vernietigde hij de vastgelegde geluiden. “Omdat ik nooit meer zo’n stuk zou kunnen componeren”, verklaarde hij achteraf.
Het grote publiek voor elektronische muziek waar Philips eind jaren 50 naar haakte, werd uiteindelijk pas medio jaren zeventig aangeboord in de popmuziek.. Daar brachten de intussen ontwikkelde synthesizers van Moog, Korg en Yamaha – niet van Philips – millionsellers voort als Mike Oldfield, Tomita, Kraftwerk, Klaus Schulze, Vangelis en Jean Michel Jarre.
Frappant overgines hoezeer ‘Arpegiator’ (1982) van Jarre lijkt op ‘Song of the Second Moon’ (1957) van Kid Baltan. Het belangrijkste verschil is het jaartal!
Acheraf gezien was Dick – Kid Baltan – Raaijmakers gewoon een kwart-eeuw te vroeg met zijn elektronische deuntjes.
Popular Electronics – Early Dutch Electonic Music from Philips Research Laboratories, 4 cd’s met 7 informatieve booklets. Electronische Balletmuziek Henk Badings, het complete electronische oeuvere van Kid Baltan en Tom Disselvelt en veel nooit eerder uitgebrachte electronische muziek van Dick Raaijmakers.
Bansta 3091412, release per 3 augustus. Winkelprijs 59.95 euro