Het lijk in jouw situatie om mogelijk plagiaat te gaan. Kennelijk wordt door Buma Stemra per geval bepaald in hoeverre hier sprake van is. Dit gebeurt door een team van muzikale epxerts en juristen. Hieronder een praktijkvoorbeeld waaruit zal blijken dat het mogelijki zo'n vaart niet loopt (excuses voor de lap tekst, maar ik denk dat het inetersant genoeg is om te posten):
De klacht wordt als volgt onderbouwd.
Onlangs heeft klager vastgesteld dat in een TV-reclamespot voor LU-koekjes gebruik wordt
gemaakt van een muziekwerk dat opvallende gelijkenissen vertoont met het werk ‘Alright, Alright,Alright’.Het begin van het LU muziekwerk toont sterke verwantschap met het intro van ‘Alright, Alright,Alright’. De akkoordprogressie van dit gedeelte van beide werken is identiek en beweegt met dezelfde snelheid in een vierkwarts maat. Het betreft in beide werken een V-IV-I progressie, waarbij de tonica in het LU-werk wordt weggelaten als gevolg van het weglaten van de derde graad van de toonladder in de melodische
lijn. Beide composities hebben een dalende melodische lijn, volgens het patroon 5-4-3-2 en met eenzelfde ritmiek. In het LU werk wordt echter gebruik gemaakt van een melodische versiering, waarbij de derde graad wordt overgeslagen. Voorts wordt in beide werken gebruik gemaakt van gesyncopeerde gitaar-ritmes om de vierkwartsmaat te onderbreken. De instrumentatie is daarbij nauw overeenkomstig. Beide werken leggen de nadruk op het syncoperende effect van het gitaar timbre door het herhaaldelijk binden van 8e-noten met langere geaccentueerde noten.
Geconcludeerd kan worden dat de structuur van de melodische lijn alsmede de harmonische structuur van beide passages identiek zijn; de melodie en harmonie bewegen met dezelfde snelheid in dezelfde maat. Het LU-werk is daarom te beschouwen als een bewerking van het intro van ‘Alright, Alright, Alright’, met uitzondering van een kleine versiering en een kleine weglating. Dit wordt bevestigd door een musicologische analyse. Deze ontlening is bovendien noch toevallig noch verschoonbaar gelet op het feit dat het werk 'Alright, Alright, Alright’ reeds eerder werd gebruikt in een reclamespot voor LU koekjes, te weten in 2007. Indertijd is daarvoor toestemming van klager verkregen. Het is daardoor zeer aannemelijk dat beklaagden zich bij het componeren van de bewuste reclamespot op het werk ‘Alright, Alright, Alright’ hebben gebaseerd. Derhalve wil klager secundaie aanvoeren dat er, naast een ongeoorloofde bewerking, sprake is van nodeloze stijlnabootsing. De associatie met het werk ‘Alright, Alright, Alright’ is bewust gecreëerd aangezien beklaagden opzettelijk hebben getracht het oorspronkelijke werk zodanig na te bootsen dat zij geen toestemming van klager meer zouden behoeven.
Beklaagden voeren in hun verweer de volgende argumenten aan.
Uit de musicologische analyses van beklaagden volgt dat de werken ‘Alright, Alright, Alright’ en ‘Lu I’d love some speculaas’ weinig tot geen gelijkenis vertonen. In tegenstelling tot het werk ‘Alright, Alright, Alright’ bevat het werk ‘Lu I’d love some speculaas’ bijvoorbeeld geen melodie of een motief met een duidelijke lengte. Daarnaast worden in beide werken weliswaar dezelfde harmonieën toegepast, maar het akkoordverloop is in beide werken wel degelijk verschillend. Zo is de harmonie van het werk ‘Alright, Alright, Alright’ functioneel opgebouwd uit achtereenvolgens VII-IV-I , terwijl er in het werk ‘Lu I’d love some speculaas’ sprake is van een opeenvolging van de trappen I –VII- IV. De functiewisseling VII- IV- I is al meer dan honderd jaar gangbaar en wordt ook in de popmuziek veelvuldig gebruikt, zoals ondermeer in het werk ‘With a little help from my friends’ van de Beatles. Hetzelfde kan worden opgemerkt ten aanzien van het tempo van de werken en het gesyncopeerde gitaarritme. Voor zover er wat dat betreft al gelijkenis tussen de werken zou bestaan, zijn beide elementen zeer gangbaar en gebruikelijk. Tenslotte willen beklaagden benadrukken dat er tevens geen sprake is van nodeloze en verwarringwekkende stijlnabootsing. Allereerst hebben beklaagden het werk van klager niet als uitgangspunt genomen bij het componeren van hun werk, zoals de overgelegde schriftelijke instructie van het betreffende reclamebureau al aantoont. Daarnaast zijn de bewuste stijlelementen algemeen bekend en in vele andere, oudere, werken terug te vinden. Dit gebruik van elementen uit een stijl kan niet als opzettelijk overmatig en nodeloos verwarrend worden aangemerkt.
Beklaagden zijn van oordeel dat er geen sprake is van inbreuk op het auteursrecht van klager aangezien de vermeende overeenstemmende elementen van beide werken zelf weinig oorspronkelijk en algemeen bekend zijn en daarmee het persoonlijk stempel van de makers ontberen.
De VCP overweegt als volgt
De Vaste Commissie Plagiaat constateert dat er sprake is van een zekere overeenstemming tussen de bewuste gedeelten van de werken. Deze gelijkenis is gelegen in het gebruik maken van identieke harmonische trappen, te weten de eerste-, de vierde- en de zevende trap. De fraseopbouw van de werken is echter verschillend, in die zin dat deze ten opzichte van elkaar zijn gespiegeld, waardoor er geen sprake is van een identieke akkoordopeenvolging. De Vaste Commissie Plagiaat merkt daarbij op dat het gebruik van de combinatie van de betreffende harmonische functies zeer gebruikelijk is en daardoor niet als oorspronkelijk is aan te merken.
Voorts constateert de VCP dat als er in de werken al een melodische lijn is aan te wijzen, deze hoogstens gelegen kan zijn in de topnoten van de akkoorden. De VCP is echter van oordeel dat ook deze reeks topnoten geen noemenswaardig eigen, oorspronkelijk karakter bezit, waar bijkomt dat de bewuste reeksen topnoten in beide werken slechts gedeeltelijk overeenstemmen.
Gelet op de geringe overeenstemming tussen de werken, die bovendien slechts is gelegen in het gebruik van een niet oorspronkelijke combinatie van harmonische trappen, concludeert de VCP dat er geen sprake is van auteursrechtinbreuk. Nu de vereiste mate van overeenstemming van auteursrechtelijk beschermde elementen ontbreekt, is er geen aanleiding voor de Vaste Commissie Plagiaat om zich uit te laten over het door klager gestelde vermoeden van ontlening. Aangezien de tot op zekere hoogte overeenstemmende gedeelten van beide werken geen noemenswaardig eigen karakter bezitten, ontbreekt tevens het onderscheidend vermogen dat een voorwaarde is, wil er eventueel sprake kunnen zijn van nodeloze stijlnabootsing.