Intervallen
Een interval is de afstand tussen twee noten. Deze hebben speciale namen, en aangezien ik die nog wel eens zal gebruiken noem ik ze eerst maar even (de getallen erachter zijn het aantal halve noten waaruit het interval bestaat):
C-C = prime (0)
C-C# = overmatige prime (1)
C-Db = kleine secunde (1)
C-D = grote secunde (2)
C-D# = overmatige secunde (3)
C-Eb = kleine terts (3)
C-E = grote terts (4)
C-E# = overmatige terts (5)
C-Fb = verminderde kwart (4)
C-F = reine kwart (5)
C-F# = overmatige kwart (6)
C-Gb = verminderde kwint (6)
C-G = reine kwint (7)
C-G# = overmatige kwint (

C-Ab = verminderde sext (

C-A = reine sext (9)
C-A# = overmatige sext (10)
C-Bb = kleine septiem (10)
C-B = grote septiem (11)
C-B# = overmatige septiem (12)
C-C = oktaaf (12)
Er zijn ook nog namen voor intervallen groter dan een octaaf, maar het heeft geen nut die hier erbij te zetten (vooral ook omdat ik die anders moet gaan opzoeken...). # (een kruis) is een verhoging (dus in plaats van D de zwarte toest erboven: Dis), en b (een mol) een verlaging (dus in plaats van E de zwarte toets eronder: Es), en verder is het natuurlijk zo dat C#=Db, D#=Eb, F#=Gb, G#=Ab en A#=Bb, maar ook dat E#=F, Fb=E, B#=C en Cb=B. Het verschil tussen C# en Db is vooral technisch (hoewel op sommige instrumenten het verschil ook te horen is; in ieder geval wordt een C# dan anders gemaakt dan een Db), net zoals de namen van de intervallen, maar voor dit verhaal is het handige voorkennis, ook al zul je het misschien zelf nooit gebruiken.
Over toonladders en toonsoorten
Het verschil tussen toonladders en toonsoorten: de toonladder is een opeenvolgende rij van noten, en de volgorde is vastgesteld in 'muziekwetten'. De toonladder van C is bijvoorbeeld C-D-E-F-G-A-B-C of die van D: D-E-F#-G-A-B-C#-D. Als een stuk in een bepaalde toonsoort staat, worden de noten uit de bijbehordende toonladder gebruikt, inclusief eventuele verhogingen en verlagingen. Bij de toonsoort C zijn die er dus geen, bij D moet je, wanneer er een C of F genoteerd is, C# en F# gebruiken.
De 'standaard' toonladder (of in ieder geval de gemakkelijkste) is C. Deze speel je door over het toetsenbord over de witte toetsen van C tot C te gaan, dus C-D-E-F-G-A-B-C. De afstanden tussen de tonen zijn nu 1-1-1/2-1-1-1-1/2. Alle andere toonladders krijg je door op een andere toon te beginnen en je aan die afstanden te houden. Zo wordt G G-A-B-C-D-E-F#-G en Bb Bb-C-D-Eb-F-G-A-Bb. Dit heet een majeur toonladder: C-majeur (ook wel C-groot genoemd, omdat het interval tussen de eerste en de derde noot (C en E) een grote terts is, maar majeur is officieel). Aangezien dit de standaard is wordt er zo goed als nooit 'majeur' bijgezet. Wanneer dus een stuk gespeeld wordt in de toonsoort C majeur, dan worden er de noten C, D, E, F, G, A en B in gebruikt (hoewel er natuurlijk altijd wel wat variaties zijn, maar die zijn dan altijd in de minderheid).
Je kunt een volgorde maken van toonladders met steeds meer kruizen of mollen. Zo heeft C niets, G 1 kruis, D 2, enzovoorts. De volgorde van toonladders met kruizen wordt C-G-D-A-E-B-F#-C# (dit is de kwintencirkel, want er zit steeds en kwint tussen elke stap). Daarbij blijven per stap de kruizen die er waren staan en wordt er één noot extra verhoogt, namelijk die onder de grondtoon (bij G dus F=>F#; bij D blijft de F#, en komt er C=>C# bij; bij A blijven F# en C#, en komt er G=>G# bij). Dit blijft (natuurlijk) ook overeenkomen met de afstanden die er tussen de noten horen te zijn in een majeurtoonladder. Als je de noten bij E zoekt kun je dus op twee manieren rederen: zoek de juiste afstanden vanaf E, of zoek de verhogingen met de kwintencirkel: bij C niets, bij G +F#, bij D +C#, bij A +G# en bij E +D#. Dus bij E zijn de F, C, G en D verhoogd. De toonladders is dan E-F#-G#-A-B-C#-D#-E. Ongeveer hetzelfde heb je bij de mollen. Hier is er de kwartencirkel: C-F-Bb-Eb-Ab-Db-Gb-Cb. De noot die verlaagt wordt is de kwart boven de grondtoon, ofwel de grondtoon van de volgende stap. (bij F dus B=>Bb en bij Eb A=>Ab). De toonafstanden blijven natuurlijk kloppen. Zo kun je aan de kwartencirkel meteen zien dat er bij Db een Bb, Eb, Ab, Db en Gb zijn, dus de toonladder is dan Db-Eb-F-Gb-Ab-Bb-C-Db.
Buiten de majeur-, is er ook de mineur-variant, met een kleine terts tot de derde noot. Een mineur-toonladder hoort altijd bij een majeurtoonladder: hij is er namelijk van afgeleid, want hij staat er kleine terts onder. Bij C-majeur hoort dus A-mineur (A-C is een kleine terts). A-mineur heeft dus ook geen kruizen of mollen, en is A-B-C-D-E-F-G-A. Zo hoort bij G-majeur E-mineur, met E-F#-G-A-B-C-D-E. Als je de mineurtoonladder bij Eb wilt maken ga je als volgt te werk: Eb heeft drie verlagingen, de Bb, Eb en Ab (gevonden met de kwartencirkel of met toonsafstanden; of, na een paar keer: uit ervaring). Ga een kleine terts naar beneden vanuit Eb, en je komt op C. C-mineur is dan C-D-Eb-F-G-Ab-Bb-C. Aangezien majeur de standaard is, is er een aparte notering voor mineur: de 'm'. Cm is dus C-mineur. Er zijn nog een aantal mogelijkheden in plaats van mineur en majeur, maar die komen niet vaak voor, dus daar ga ik aan voorbij (harmonisch, melodisch, pentatonisch, kertoonladders, enz.).
Bij het maken van een melodie is het vooral veel proberen om erachter te komen welke combinaties leuk klinken en welke niet. Vaak bijvoorbeeld hoef je de 2e (bijvoorbeeld D in C) van een toonsoort niet eens te proberen, omdat die toch niet klinkt, en vaak klinkt het beter de 7e te verlagen (bijvoorbeeld Bb bij C in plaats van B). Maar dat is allemaal een kwestie van ervaring. Je kunt dat bijvoorbeeld oefenen door een begeleiding (bijvoorbeeld bas met strings, die ook een C-akkoord (zie onder) kunnen spelen in plaats van alleen C's) constant in de grondtoon te laten spelen, en zelf een melodie erbij te improviseren in de toonsoort en ook daarvan afwijkend. Dan merk je wel dat die 2e niet goed uitkomt, dat de 7e beter verlaagd kan worden, en dat tonen buiten de toonsoort meestal opvallend klinken (of dat nou positief of negatief is).
Over akkoorden bij de muziek
N.b.: dit gaat meer over bladmuziek lezen dan zelf schrijven, hoewel een paar dingen wel erg handig zijn.
In een toonladder zijn drie tonen opvallend: de 1e, de 3e en de 5e (de prime, terts (bij groot en klein) en de kwint, welke laatste 'dominant' genoemd wordt), bijvoorbeeld C-E-G bij C, of Ab-C-Eb bij Ab, en D-F-A bij Dm en F#-A-C# bij F#m. Deze drie vormen samen het akkoord (respectievelijk het C-, Ab-, Dm- en F#m-akkoord), en klinken samen zeer goed (vergelijk het bijvoorbeeld met een akkoord met 1-2-3 of 1-6-7; dat is nogal een verschil). Met deze drie is al snel een melodie te maken die redelijk klinkt. Afwisseling krijg je door verschillende akkoorden achter elkaar te pakken. Vaak klinkt dit 'logisch' als je daarbij akkoorden neemt die dicht bij elkaar liggen in de cirkels. Een melodie op C-, G- en D-akkoorden klinkt bijvoorbeeld snel aardig.
Natuurlijk gaat het vormen van een melodie meestal als volgt: iemand maakt een melodie, en zoekt er vervolgens de akkoorden bij. Bij de gemakkelijkste melodieën wordt alleen gebruik gemaakt van de drie standaardaardnoten van één akkoord (grondtoon-grote terts-kwint, bijv. C-E-G). Zo weet je namelijk zeker dat het samen goed klinkt en kun je op dezelfde manier goede begeleiding toevoegen. Bij de meeste melodieën gebruik je meer noten, en meer akkoorden. Soms kun je een standaard-akkoord houden, soms moet er een noot die opvallend is in de melodie aan toegevoegd worden. Akkoorden hoeven namelijk niet alleen uit 1-3-5 te bestaan, maar kunnen meer bevatten. Een akkoord is dan ook geen toonsoort, maar onderdeel van muziek in een bepaalde toonsoort.
Zo krijg je dus de in bladmuziek vaak genoteerde X2/X4/X6/X7/X9/X13/enz.-akkoorden. Als er zoiets staat, dan moet je gewoon die noot toevoegen aan het akkoord. Je krijgt dan C-D-E-G (C2)/C-E-F-G (C4)/C-E-G-A (C6)/ C-E-G-Bb (!)(C7)/C-E-G-Bb-D (!)(C9)/ C-E-G-A (A een oktaaf hoger) (C13). Let bij het toevoegen wel op de voortekens die bij het akkoord horen, want die blijven. A6 wordt dan ook A-C#-E-F#. Als bas kan onder een akkoord altijd de grondtoon gespeeld worden; dat klinkt sowieso goed.
X7 is een geval apart. Het is sowieso ongeveer het meest voorkomende niet-standaardakkoord. Daarbij werkt het niet logisch. Je voegt altijd de verlaagde versie van de 7 toe. Dat is bij C7 dus C-E-G-Bb (in plaats van C-E-G-B), bij G7 G-B-D-F, bij Dm7 D-F-A-C (uitgeschreven: D mineur 7), bij Bbm7 Bb-D-F-Ab, enz. Deze 7 kan ook verhoogd worden. Dan staat er bij het akkoord nog maj. (deze aanduiding zou anders ook overbodig zijn). Cmaj7=C-E-G-B, Dmaj7=D-F#-A-C#, Dmmaj7=D-F-A-C# (D mineur majeur zeven).
Verder is er X9. Hierbij wordt de negende noot in de toonladder toegevoegd. Dit is dezelfde als de tweede, maar dan een oktaaf hoger. Dit is echt van belang; je krijgt namelijk een gespreid akkoord. (C-D-E-G is niet C-E-G-D) Daarbij komt er ook de 7 bij, en weer de lage. C9 houdt dus een septiemakkoord met de 9 in: C-E-G-Bb-D. Dus G9=G-B-D-F-A en Dm9=D-F-A-C-E. Je hebt hier nog een variant op: C(add9). Dit houdt in dat alleen de 9 toegevoegd wordt, en niet de 7: C-E-G-D, en Dm=D-F-A-E. Overigens kan bij zowel X7 als X9 de kwint weggelaten worden; daar lijkt geen vaste regel voor te zijn (dus C7 = C-E-G-Bb of C-E-Bb).
In deze rij ontbreekt X5. Hierbij moet je juist noten weglaten. Je speelt namelijk alleen wat er staat. Dus C5=C-G en Dm5=D-A.
Een ander akkoord waarbij je iets weglaat is het sus-akkoord. Je hebt twee varianten: Xsus2 en Xsus4 (met eventueel nog andere dingen, zoals Xmsus4 of Xmmaj7sus2, uitgeschreven X mineur met majeur 7 en sus 2). Xsus4 houdt in dat je de 4 toevoegd en de 3 weglaat. Dus Csus4=C-F-G, Ebsus4=Eb-Ab-Bb. Xsus2 houdt in dat je de 2 toevoegt en de 3 weglaat. Dus Csus2=C-D-G, Ebsus2=Eb-F-Bb. Als er alleen maar 'sus' staat wordt gewoonlijk sus4 bedoeld (hoop ik/denk ik; stuur maar voorbeelden van andere gevallen, als je ze hebt). Wat sus9 inhoudt is mij niet helemaal duidelijk. Ik denk dat het inhoudt dat de 3 weggelaten moet worden ('sus' staat namelijk voor 'suspended', wat inhoudt dat er een noot in een andere 'opgelost' wordt). Dus Csus9=C-G-Bb-D.
Nog twee typen akkoorden zijn het overmatige en het verminderde akkoord. De standaardopbouw van een akkoord is grote terts-kleine terts (majeur) of kleine terts-grote terts (mineur). Maar je hebt ook nog grote terts-grote terts (overmatig) en kleine terts-kleine terts (verminderd). Die worden als volgt aangegeven: X+ en Xdim. Dus C+=C-E-G#, Eb+=Eb-G-B; en Cdim=C-Eb-Gb, Ebdim=Eb-Gb-Bbb (ofwel Eb-Gb-A, maar Bbb is de officiële benaming).
Iets wat ook veel voorkomt is een bastoon erbij. Hierbij heb je twee varianten, die echter hetzelfde betekenen: X/Y en X(Ybas). Bij beide speel je de Y erbij als onderste toon, dus C/G of C(Gbas)=G-C-E-G, en C/F of C(Fbas)=F-C-E-G, en Dm/A of Dm(Abas)=A-D-F-A en Dm/B of Dm(Bbas)=B-D-F-A.
Binnen een akkoord kan elke noot verhoogd en verlaagd worden. Dit wordt aangegeven door het nummer erbij te zetten, met # of b ervoor. Dus C-#5=C-E-G# en Eb-b6=Eb-G-Bb-Cb. De notering is best lastig. Het is niet altijd duidelijk wat precies de bedoeling is, maar je merkt het vanzelf als je de verkeerde noot speelt. Zo'n verhoging of verlaging krijg je bijvoorbeeld als er een bastoon inzit die anders is dan een noot die al in het akkoord zit: C/Gb klinkt al snel erg dissonant en kom je niet vaak tegen, maar wel C-bG/Gb=Gb-C-E-Gb. Het kan genoteerd worden met - of +: C-5=C-E-Gb, C+9=C-E-G-Bb-D#
Een lijstje:
C = C-E-G
Cm = C-Eb-G
C2 = C-D-E-G
C4 = C-E-F-G
Csus4 = C-F-G
C5 = C-G
C6 = C-E-G-A
C7 = C-E-G-Bb
Cm7 = C-Eb-G-Bb
Cmaj7 = C-E-G-B
Cmmaj7 = C-Eb-G-B
C9 = C-E-G-Bb-D
Cadd9 = C-E-G-D
C13 = C-E-G-A (A een oktaaf hoger)
Cdim = C-Eb-Gb
C+ = C-E-G#
C/G = G-C-E-G
C/A = A-C-E-G-A
C(Gbas) = G-C-E-G
C(Abas) = A-C-E-G
C-#5 = C-E-G#
C-b6 = C-E-G-Ab
Cenz. = C-enz.