4 scales moet je kennen.
Je hebt slechts enkele dingen te leren, maar deze volledig uit te bouwen, en ze zodanig te kennen dat je er niet meer moet over nadenken.
Only four scales ??
Het slechte nieuws is, dat we toch een klein beetje theorie moeten doorworstelen, om het systeem te begrijpen. Het goede nieuws is echter, dat we niet noodzakelijk vijftig verschillende toonladders in alle mogelijke en onmogelijke toonsoorten moeten kennen. Slechts vier verschillende toonladders zijn voldoende om een leven lang bezig te zijn.Welke zijn deze vier toonladders ?. Welnu, hier komen ze: de majeur toonladder (hoe kon het ook anders ), de mineur pentatonische (deze is dezelfde als zijn relatieve majeur pentatonische, welke op zijn beurt weeer nauw verwant is met de majeur toonladder, maar dan met twee noten minder) , de melodische mineur (deze verschilt slechts in 1 noot van de majeur), en de diminished, die als het ware een buitenbeentje is, omdat ze het minste lijkt op een majeurtoonladder. Het spreekt vanzelf, dat ik hier niet probeer te verkondigen, dat het geen zin heeft om alle overige toonladders te studeren . Eigenlijk bedoel ik slechts, dat het veel beter is om deze vier grondig te kennen, dan al de rest maar half. En met grondig bedoel ik wel degelijk in alle twaalf toonaarden.Patronen (sequensen), in tertsen, kwarten, kwinten en andere toonafstanden enz. Een hoop werk dus, maar het loont de moeite . De vraag blijft nu echter: wat als we dit allemaal kunnen, hoe zetten we dit om in de praktijk, en wat hebben we er aan ??? Het sleutelwoord is hier : flexibiliteit.Slechts vier toonladders moet je kennen, dan bedoelde ik echt wel: heel grondig !!
Als je bijvoorbeeld je majeurtoonladders echt grondig wil kennen, dan bedoel ik wel degelijk, dat je om de maat, en zelfs om de tijd van toonladder moet kunnen wisselen. Een goede muzikant kent zijn toonladders zó goed, dat hij bijvoorbeeld begint op een toonladder van C, en na 3 noten reeds overgaat in bijvoorbeeld de toonladder van Eb, om weer 2 tot 3 noten later alweer in een andere toonladder verzeild te raken. Zodoende krijg je notencombinaties, die zelfs met geen toonladder meer te omschrijven zijn. Mijn conclusie is dus: waarom duizenden toonladders leren, als je met een leven nog niet toekomt om alle combinaties van 1 toonladder te kennen.
Toonladders is de basis om te IMPROVISEREN!DE mogelijkheden zijn onbegrensd met improviseren als je zelfs maar één toonladder kent.
Hoe beter je wilt soleren,dan zal je toch theorie moeten,kennen,je akkoorden!Majeur,mineur en dominant.De meesten onder ons zijn gewoon van over een akkoord heen, de bijpassende toonladder te spelen, of de akkoordnoten wat te omspelen. Wel, er zijn natuurlijk weer drie regels : één voor elke categorie, en dat maakt het systeem juist zo eenvoudig. Ziehier de drie regels op een rij:
1 : Majeur-a
De mooiste solo’s krijg je echter als je in de plaats van het originele akkoord, aan een totaal ander akkoord denkt, en dan daar over soleert. Ik hoor de meesten reeds denken: hoe kan dit nu, als ik C7 zie staan, kan ik toch moeilijk over Eb7 soleren ????Akkoorden mag je vervangen door hun relatieve mineur, of door hun 2de relatieve mineur. Deze liggen naast elkaar in de kwintencirkel. De relatieve ligt anderhalve toon lager, en de 2de relatieve ligt twee tonen hoger .
Dus als het originele akkoord C is, dan mag je dit vervangen door een mineurakkoord, ofwel anderhalve toon lager, ofwel twee tonen hoger. We krijgen dus de akkoorden Am en Em.
Samengevat : C wordt Am of Em
2 : Mineurakkoorden mag je vervangen door hun relatieve majeur, en deze ligt anderhalve toon hoger. Vb. Am wordt C
Alhoewel dit regeltje evident is, C mag je vervangen door Am, en Am op zijn beurt terug door C, geeft dit toch een heleboel mogelijkheden als je eens verder kijkt dan je neus lang is. Je mag Am vervangen door C, maar dit C-akkoord kan je niet alleen vervangen door Am, maar ook door Em.
We krijgen dus : Am wordt C wordt Em. Dus je kan met bov enstaande regels evengoed Am vervangen door Em !!!
Als derde en laatste regel de dominantakkoorden:
3 : Een dominantakkoord mag je vervangen door zijn dominantmineur. Deze ligt een kwint hoger dan het originele akkoord. Vb. C7 mag je vervangen door Gm
Ziezo, slechts drie regels, maar je moet ze uiteraard in elke toonaard kennen. Maar wat gaan we daar nu mee aanvangen? Wel , we gaan als uitgangsakkoord C7 nemen. Aangezien dit een dominantakkoord is, kijken we naar onze bijbehorende regel, en we vervangen dit akkoord door zijn dominant mineur, wat ons Gm oplevert. Het aldus verkregen akkoord is een mineur akkoord, en dit gaan we volgens de regel vervangen door zijn relatieve majeur (anderhalve toon hoger). Zodoende komen we aan het akkoord Bb. Dit is op zijn beurt een majeur akkoord, en hiermee hebben we twee mogelijkheden. Indien we het zouden vervangen door zijn relatieve mineur, dan krijgen we opnieuw het akkoord Gm, wat ons niets nieuws oplevert. Daarom vervangen we Bb door zijn tweede relatieve mineur (2 tonen hoger) en we krijgen aldus het akkoord Dm. Dit akkoord is een mineur akkoord, en we kunnen dit gerust weer vervangen door zijn relatieve majeur, wat ons het akkoord F oplevert, wat we op zijn beurt weer kunnen vervangen door zijn tweede relatieve mineur, en dit resulteert in een Am akkoord. En zo kunnen we eindeloos doorgaan tot we het beu zijn. Het spreekt vanzelf, dat , hoe meer je vervangt, en hoe meer je van het originele akkoord afwijkt, hoe “raarder” dit gaat klinken, of met een geleerd woord : hoe meer “outside” Voor alle duidelijkheid nog even op een rijtje:
C7 wordt Gm wordt Bb wordt Dm wordt F wordt Am enz…
Conclusie je moet niet alles kennen om te improviseren,maar leer theorie!