WaveGuide7
Gedeactiveerd account
- Lid sinds
- 12 november 2009
- Berichten
- 1.152
De spectrum-analyse geeft inderdaad uitsluitsel geven over het allerbelangrijkste aandeel in de timbre-perceptie, nl. het amplitudespectrum.Patat:
Het probleem is dat we bij deze 2 golfvormen vrij zeker weten dat ze hetzelfde klinken, omdat alleen de fase verschilt, de amplitude van de harmonischen is gelijk.
Maar wat als je 2 oscillatoren hebt waarvan de ene een DC gekoppelde uitgang heeft en de andere een AC gekoppelde uitgang. De AC gekoppelde uitgang geeft een fase draaiing van de harmonischen en de amplitude van de golfvormen zal ook verschillen.
Hoe kunnen we deze oscillatoren zo eerlijk mogelijk vergelijken?
Moeten we dan de spectrum analizer erbij halen en ervoor zorgen dat iig de eerste paar harmonischen gelijk in niveau zijn? Ik weet het niet.
Wat ik zou doen is:
(1) sampel de output van beide osc's;
(2) bereken de geluidsenergie van beiden en schaal eventueel 1 van de signalen op;
(3) bepaal van beiden het spectrum;
(4) als de amp-spectra verschillen, dan mag je stellen dat de timbres "objectief" verschillen.
(5) als de ampspectra niet verschillen dan kunnen de osc's alleen maar marginaal verschillend klinken als gevolg van verschillen in fasespectrum. Deze verschillen kunnen, uitgedrukt in termen van het amplitudespectrum, nooit meer dan 1 dB per harmonische afwijken.
Deze test geldt overigens alleen voor de steady state van de toon.
Patat:
Die dimensies van een perceptie ruimte daar heb ik geen kaas van gegeten, maar ik lust wel een plakkie.
Vaak zijn die dimensies heel simpel. Maar bijvoorbeeld bij geuren en klankkleuren zijn ze problematisch.
Om een voorbeeld te noemen dat Patat misschien zal aanspreken: als je proefpersonen vraagt om een tien frietjes met elkaar te verglijken qua lengte, dan is het niet verbazingwekkend dat de schaaltechniek allereerst zal concluderen dat het hier gaat om een 1-dimensionale perceptieruimte: je kunt alle frietjes afbeelden als punten op een lijn, die de lengte voorstelt.
Als je proefpersonen vraagt om tien frietjes met elkaar te verglijken qua lengte en kleur(traploos oplopend van "bleek" naar "zwart-geblakerd"), dan is het niet verbazingwekkend dat de schaaltechniek allereerst zal concluderen dat het hier gaat om een 2-dimensionale perceptieruimte: je kunt alle frietjes afbeelden als punten in een vlak waarbij de horizontale as de lengte van de frietjes voorstelt en de verticale as de kleur. Links onder in beeld staan de korte, bleke frietjes, en rechtboven de lange, zwart-geblakerde.
Als je proefpersonen vraagt om de afstanden tussen appartementen van tien flatbewoners te schatten, dan zal de schaaltechniek concluderen dat het hier gaat om een 3-dimensionale perceptieruimte: dit zijn nu toevallig drie puur meetkundige dimensies: breedte, hoogte en diepte.
Als je proefpersonen vraagt om tien timbres te vergelijken, dan zal de schaaltechniek andermaal concluderen dat het hier gaat om een 3-dimensionale perceptieruimte. Maar wat stellen die dimensies nou precies voor? Hier krabben zich de perceptie-wetenschappers achter de oren.
. En met Youtube krijg je ook geen goede indruk. 